Avanavero
7 oktober - Jungle near Blanche Marie
Onze eerste echte jungle tour begon vandaag 2 uur later dan oorspronkelijk gepland. Dustin, die toevallig ook voor déze tour onze gids was, had ons dat keurig netjes van tevoren laten weten. Op het programma stond vandaag een lange route naar de Blanche Marie vallen. Het werd vooral veel bauxietstof happen. Bij een kreek werd gestopt om weer wat op te frissen, maar uiteraard was dat maar tijdelijk. Even afkoelen in het water is wel enorm fijn hier. Het zijn de schaarse momenten zonder zweetdruppels op je voorhoofd.
Na het vallen van de avond gingen we weer verder op pad. Dit keer werden alle lampen ingezet om dieren te spotten. Uiteraard is dat 's avonds nog veel moeilijker dan overdag en daarom mochten we op het dak van de landcruiser zitten. We waren op zoek naar slangen, vogels, mieren en misschien wel een jaguar. Wat we hoorden was een tapir, maar we zagen 'm helaas niet. De nachtzwaluw was wel snel gespot en voor de brulkikker moesten we wat meer moeite doen. De draagmieren liepen af en aan met blaadjes, maar slangen waren niet te zien. Het laatste stuk van de weg was erg slecht en leidde uiteindelijk naar een vervallen accommodatie bij de Blanche Marie vallen. Het was toen al 10 uur, dus de hangmatten werden in het donker bevestigd op het terras van 1 van de gebouwen.
8 oktober - Deeper into the jungle to Avanavero
De volgende ochtend zagen we pas goed waar we terecht waren gekomen: we hadden geslapen bij een stroomversnelling in de buurt van watervallen die hier 'vallen' worden genoemd. De eigenaar van deze plek had 5 honden, waaronder 3 puppies. Vanuit de hangmat riepen we ze en daar kwamen ze vrolijk aan huppelen. Natuurlijk wilden ze maar al te graag onze klamboes kapot bijten. Dat leek ons echter niet zo'n strak plan.
Voordat we vandaag verder reden, liepen we eerst naar de Blanche Marie vallen. Hier namen we een verkoelende plons in het water en lieten het water op ons hoofd en rug kletteren. In de regentijd is dit niet mogelijk, maar de grote droge tijd heeft ook zo z'n voordelen. In het natte seizoen moet de waterval er veel spectaculairder uit zien. We laadden daarna de auto weer in en gingen op pad. Chan is overigens ook weer met ons mee gegaan; hij vindt ons blijkbaar leuk gezelschap. Naast ons zijn er geen andere toeristen mee en dat is best relaxed.
De route van vandaag bestond voornamelijk uit smal bospad (lees: eigenlijk was onze terreinwagen er te breed voor). Dit keer werd het dus niet stofhappen, maar voordat we het wisten lag het hele bos bij ons op schoot. Naast takken, bladeren en bloemen kwamen er ook mieren, spinnen en insecten mee naar binnen gesprongen. De auto heeft natuurlijk geen airco, dus met de ramen dicht rijden, gaat ook wat ver (lees: het is niet vol te houden). Het pad was dus eigenlijk al te smal voor 1 auto en dan kun je in theorie ook nog tegenliggers tegenkomen. We zagen onderweg witkopapen en hadden hier en daar wat oponthoud.
Allereerst lagen er een aantal boomstronken die het pad teveel naar Dustins en Chans zin blokkeerden, dus er werd besloten om deze dan maar in de fik te steken. Het vuur kan niet veel verder gaan, omdat we midden in het regenwoud terecht zijn gekomen, dus we lieten het vuur al brandende in de steek. Voor ons was dat een gek idee, maar we kregen de garantie dat we niet het hele oerwoud in lichterlaaie zouden zien als we over 3 dagen hier weer rijden. Even verderop was er een boom omgevallen over de weg en het was niet mogelijk om er met de 4WD overheen te rijden. Die moest er dan ook aan geloven; de kettingzaag kwam eraan te pas.
Langs de weg zagen we verschillende soorten ara's en op de weg een klein hert maar wat nog wel het meest tot de verbeelding sprak, waren nog wel de geluiden die we hoorden; ieder dier laat graag van zich horen. Het was wel duidelijk dat we hier midden in de jungle zijn.
Aan het eind van het smalle pad, kwamen we uit op een, naar Surinaamse begrippen, goede weg, waar we weer bovenop de auto mochten zitten. Het was heerlijk om de wind door onze haren te voelen en vanaf het dak konden we veel meer zien. Na een stuk op de weg gereden te hebben, kwamen we aan bij Avanavero, een voormalig indianendorp diep verstopt in het oerwoud. Vandaag de dag is van een dorp geen sprake meer, maar er is wel een accommodatie opgezet midden in de natuur. Aangezien het verblijf op een eiland is geplaatst, moesten we eerst 10 minuten met de boot om over te varen. Wat we op het eiland aantroffen, was een klein paradijsje; er stonden zelfs opgemaakte bedden op ons te wachten!
Na het zelfgemaakte diner mochten we kiezen wat we in het donker wilden doen en Sven koos ervoor om te jagen. Eerst weer met het bootje over en dan weer in (Chan) en op (de rest) de auto met een jachtgeweer (Dustin). Daar kwam het geweten van Marijke om de hoek spelen. Jagen voor een stukje wild op bord! Het zou hypocriet zijn om er tegen te zijn; wij zijn tenslotte geen vegetariërs. Maar een lief schattig beest neerknallen is toch ook weer een ander verhaal. En dat terwijl het wel puur en alleen om te eten zou zijn. Terwijl Sven vurig hoopte dat er een haas op ons pad zou komen, duimde Marijke dat de jacht op niets zou uitlopen. Tijdens de lange rit zijn we alleen een hert tegengekomen, heel in de verte. We konden het alleen zien aan de oogjes. Verder hebben we nachtzwaluws gezien, maar we gingen met lege handen terug naar het kamp. Alleen Marijke was in jubelstemming.
9 oktober - Marijke in the jungle around Avanavero
Ik word wakker van geritsel als het net licht begint te worden. Ik heb het ondertussen opgegeven om te raden wat het geritsel veroorzaakt, want iedere kleine vogel hier is in mijn oren een tapir. Eigenlijk spring ik het liefst meteen mijn bed uit om te kijken welk dier mij gewekt heeft en lekker de natuur in te gaan, maar licht wordt het hier al om 6 uur en aangezien het jagen gisteravond tot middernacht geduurd heeft, draai ik me toch nog even om in bed met klamboe. Weer wat later word ik opnieuw wakker en zie dat Dustin al in de keuken, die naast de gezamenlijke slaapruimte ligt, aan het rommelen is. Ik kijk om me heen en zie allemaal lege bedden staan en kan me niet voorstellen hoe het hier geweest was als deze allemaal bezet waren geweest. Ons tripje was toch anders geweest met meer gasten. Wat ik hier zo heerlijk vind, is de rust, de stilte, de natuur. En die heeft al lawaaipapegaaien genoeg. Terwijl ik verse muggenbulten ontdek op mijn bovenbenen, hoor ik in de verte de brulapen roepen. Tijd om op te staan!
Tijdens het ontbijten klinkt wederom geritsel. Zonder op te kijken, komen Dustin, Chan en Randy (jongen die hier woont) tot de conclusie dat de brulapen bij onze accommodatie zitten. "Maar, eet eerst je ontbijt rustig op, dan kun je ze daarna nog beter zien." Zo gaat dat hier, alles rustig aan. Even later staan we naar boven aapjes te kijken. Maar zij zien ons ook! Ze zijn groot zeg! En ze lijken zich niet aan ons te storen, eten het bos leeg. De bomen bij ons kamp zijn niet al te hoog, waardoor we deze roodbruine apen goed kunnen bewonderen. Dit kunnen we wel uren blijven doen. Er is ook een kleintje bij, lekker op moeders rug.
Na het aapjes kijken gaan we op weg naar een oude rotstekening. Om er te komen moeten we eerst een stukje varen met Randy's boot. Daarna lopen we door een bos. We horen een andere groep apen brullen in de verte. En verder is er gekwetter van vogels en gezoem van insecten. De rotstekening bevindt zich aan de andere kant van de Kabalebo-rivier. We proberen over de rotsen en waterplanten over te steken, maar op sommige plekken is het behoorlijk diep. Mijn slipper raakt vast achter een rots en ik vind 'm niet meer terug. Ik moet dus op blote voeten verder de rivier over en ook lopend door het bos; ik voel me net een local. Het gaat verrassend makkelijk en het is alleen bij kleine takjes wat oppassen geblazen. Ik had van tevoren nooit kunnen bedenken dat ik hier in Suriname in mijn korte broek en op blote voeten door de jungle zou lopen; ik had mezelf voor gek verklaard. Goed, je moet niet teveel naar mijn benen kijken; die zitten vol met bulten, krassen en blauwe plekken.
Voor we het weten komen we bij de rotstekening waarvan niemand schijnt te weten hoe lang ie er al is en wat het moet voorstellen. Maar het is een mooi plekje bij de Avanavero vallen waar we even chillen. Surinamers zijn gek op chillen en wij doen vrolijk met ze mee. Dat moet hier ook wel, want je houdt het niet lang vol in de zon. Randy is ondertussen gaan vissen en laat ons binnen een minuut een tukunari zien. We hadden die al gegeten tijdens de kanotrip, maar we zien nu ook dat het best een mooie vis is.
We lopen en zwemmen grotendeels terug naar ons eiland en maken wat later op de dag een boswandeling. We maken kennis met de wandelende palm, proeven een bitter blad dat zou helpen tegen malaria (niet dat we dat hebben) en krijgen de kern van de tak van een palm, die ook eetbaar is. Je moet het even weten, maar je kunt jezelf redden als je hier verdwaalt. De boshanen beginnen te krijsen om andere dieren te laten weten dat ze ons gespot hebben. De sporen van zwijnen laten we links liggen en we komen weer aan bij het kamp. Het is ongelofelijk hoe het zweet door mijn poriën naar buiten sijpelt met minimale inspanning. Het duizelt voor mijn ogen. Tijd dus weer voor wat chilltime.
Dustin wil ons leren vissen en wij zouden de piranha's, die in deze rivier worden geboren, weleens van dichtbij willen zien. Met de boot varen we naar de auto en we zien een rog op de bodem voorbij glijden door het water. Hij is zwart met oranje stippen en is zo giftig als ie eruit ziet. Ik snap zo ondertussen steeds minder welke haar op mijn hoofd mij toch steeds het water in laat springen. Vervolgens gaan we met de auto naar de Davis vallen aan het eind van de middag, waar we wat van onze kip als aas gebruiken. Dustin houdt niet van kip en wil vanavond het liefst wat anders eten. De opoffering van kip levert ons hopelijk wat op. Maar de piranha's happen niet en als ik net even een blokje om ben, zien de jongens een otter in het water, wat weleens de oorzaak van de niet-bijtende piranha's zou kunnen zijn volgens Dustin. Ik baal als een stekker dat ik die reuzenotter niet gezien heb en maak dan maar wat foto's van de resten van door gieren verslonden piranha's die op het strandje liggen. Het is hier ontiegelijk heet, ik word er naar van. Ik besluit het water in te gaan, want als die piranha's niets van de kip moeten weten, zullen ze zeker mijn tenen niet verslinden. Hoop ik.
Alhoewel het water absoluut niet koud is, brengt het toch meteen verkoeling; ik gloeide helemaal. In het water word ik meteen omsingeld door 2 steekvliegen, die hysterisch rondjes beginnen te vliegen rond mijn hoofd. Ze spelen een spelletje met me, lijkt het. Maar ik wil niet dat ze me te grazen nemen met die lange stekelige neus van ze; dat prikt behoorlijk. Ondertussen word ik onder water behandeld door kleine visjes. Ze schijnen je dode huidcellen op te eten, maar met al die bulten op mijn benen en armen, denken ze soms een hapje uit me te kunnen nemen. Moedervlekken vinden ze by the way ook erg interessant. Gelukkig zijn die visjes maar klein.
Na de afkoeling rijden we terug via de hoofdweg van bauxiet en zien 2 wasberen de weg oversteken. Nu zijn dat groepsdieren en die blijven dus bij elkaar. We lopen ze tegemoet, maar merken dat er geen nieuwe beestjes meer oversteken. Dit waren de laatste van een grote groep, maar ze zitten nog in de struiken langs de weg en we luisteren een tijdje naar hun geluidjes. Er blijken ook doodshoofdaapjes in de bomen boven de wasberen te zitten, dus dat is een mooie bonus voor ons.
Als we weer in de boot zitten worden we begeleid door het gezang van brulkikkers, die bij het vallen van de avond van zich laten horen, en zien verderop een kaaiman van een metertje groot poseren. Weer terug op het eiland word ik aangevallen door kleine rode mieren, die nog venijnig scherpe tandjes blijken te hebben.
Ondanks alle ongemakken vind ik het heel rustgevend hier midden in de natuur van West-Suriname. We zien op een dag meer dieren dan mensen en het is behoorlijk ongerept. Mijn hoofd is "uit"; ik weet niet meer hoe laat het is en leef van zonsopkomst naar zonsondergang. Als je aan me vraagt welke dag het vandaag is, dan moet ik daar behoorlijk over peinzen. En ik vind het toch heerlijk om zo van de buitenwereld te zijn afgesloten!
10 oktober - Finding a place to sleep in the jungle
Een nieuwe dag in Avanavero betekende ook afscheid nemen van deze geweldige plek. Voordat we vertrokken, vlogen er 2 ara's al kwetterend over ons kamp heen. Heerlijk, die beesten en de geluiden die ze produceren! Voordat we echt de weg terug namen, maakten we een uitstapje naar de telefoontoren. Vanuit de auto zagen we onderweg het kleinste aapje van Suriname, het zwarte zijdeaapje, de weg oversteken. Daarna moesten we ons een kilometer te voet een weg door de jungle banen. Aan het begin van het 'pad' kregen Dustin en Sven de schrik van hun leven toen ze werden aangevallen door agressieve wespen. Beiden werden gestoken. Marijke en Chan werd opgedragen om te rennen voor hun leven. Dustin had behoorlijk plezier in het kappen van het bos om zo het pad vrij te maken. We merkten al dat we niet te lang stil moesten staan, want er lagen weer steekvliegen op de loer, maar ook voor doornige planten moesten we oppassen.
Na een half uurtje lopen, waren we bij de toren, die te beklimmen viel met een wankele ladder van 30 m. "Hell no!" dachten we beiden hardop, nadat we de eerste treden hadden uitgeprobeerd. Voor Dustin maakte het niet uit, die ging wel naar boven om dan maar voor ons foto's te maken van het uitzicht. En daarna gingen we hetzelfde pad weer terug, dit keer liep Sven voorop met het kapmes. Het ging hem heel goed af om het pad terug te vinden, maar de landspuntslang die aan de zijkant zat te sissen, zag iedereen over het hoofd.
Behalve Chan, die achterop liep. Hij was lang en dun en ongevaarlijk, waardoor we 'm goed van dichtbij konden bekijken.
Na een beetje gezwommen te hebben, namen we de weg richting Matabi. Onderweg zagen we doodshoofdaapjes en hoorden withoofdapen. De luchtvochtigheid bereikte z'n tax en het begon wat te regenen, waardoor het gelijk wat aangenamer aanvoelde. We bleven een tijdje in Matabi, dat bestaat uit een kamp en hotel. Het is gelegen aan de Corantijn rivier, dat de grens tussen Suriname en Guyana is.
Sven heeft er wat gezwommen en we hebben een aantal Surinaamse dieren, die daar in een hok zaten, kersen gevoerd. Hertje, haas en ara's. Het konijn en de schildpadden hadden geen honger.
Vanuit Matabi tot vlak voor Apoera mochten we weer op het dak zitten en we zagen een dode reditere slang, die Dustin omschreef als 'vrijpostige slang' en toen we hem vroegen wat hij daarmee bedoelde, gaf hij aan dat deze slang keihard achter je aan komt als ie je in het bos gespot heeft.
Voordat we Apoera bereikten, stopten we bij een enorme treinloods, met daarin vergane treinen, die nooit gebruikt zijn vanwege het afblazen van de bauxiethandel in dit gebied. Bizar om zoiets midden in de jungle te zien staan. De verschillende ruimtes in het pand worden tegenwoordig bewoond door honderden, misschien wel duizenden vleermuizen, waaronder de vampier vleermuis.
In Apoera zelf reden we een rondje om onder andere diesel in te slaan. Het was vreemd om na dik 100 km geen nederzetting te zijn tegengekomen, ineens een behoorlijk groot indianendorp te bereiken, dat bovendien van alle gemakken is voorzien. Scholen, politie, brandweer, winkels, disco, restaurants en een haven voor het vervoeren van al het gekapte hout uit de jungle. Voornamelijk naar China. Wij gingen ook uit eten, bij een restaurant zonder werkende stroom (lees: geen brandstof aanwezig voor de generator). Heerlijke pepersoep gegeten met haas.
In het donker reden we een slaapplaats tegemoet. Onderweg zagen we een buidelrat en een muis en we spotten de kaaimanogen met de spotlights. Er waren 3 kreken waar we overnachtingsmogelijkheden hadden, maar het was erg druk en uiteindelijk moesten we genoegen nemen met de ruïnes van een kampje naast een groep mannen die het mooiere kamp in beslag had genomen bij de laatste kreek. Het werd slapen zonder zeil boven ons en we werden verwelkomd door zingende cicades, krekels, brulapen en uilen. Even later sloot een stel nachtapen zich al kibbelend bij het gezelschap aan en het voorspelde een onrustige nacht te worden...
11 oktober - Noisy animals, noisy people, back to Paramaribo
De hele nacht bleven de brulapen brullen en de nachtapen kattekwaad uithalen. Bij zonsopkomst vonden de mannen van het andere kamp dat het tijd werd om te vissen en de rest van de jungle mocht daarvan meegenieten. En zo kwam het dat ook wij ons kamp vroeg opbraken. Het water bij deze kreek was wat vervuild en dus besloten we een stukje verderop te gaan zwemmen en ontbijten.
De eerste indianendorpen kwamen alweer in het zicht en bij een winkel kochten we een Parbo-biertje (1 liter) dat we met z'n allen opdronken onder een boom. De beschaving kwam vandaag weer dichterbij. Maar voordat het zover was, zagen we eerst een wild konijn langs de weg. En we zagen heel veel drogetijdvlinders rondfladderen. Daarna gingen we relaxen bij Sarabang, een recreatieoord zoals de bekende Colakreek, maar dan minder druk. We hebben er gezwommen en aapies gekeken vanuit de hangmat. Doodshoofdaapjes, cappucijnaapjes en zijdeaapjes.
Daarna reden we de drukte van de stad tegemoet, waar we aan het begin van de avond weer aankwamen. Bij het hotel bestelden we pizza en namen een douche; het rode stof zat werkelijk overal.


